Patrice van Oostaijen en Erik Jan Peffer | sportarbeidmarkt.nl | 11 maart 2009
Vanaf het voetbalseizoen 2010/2011 kent het Nederlandse voetbal een Topklasse. Na het jarenlange gesloten systeem kunnen clubs nu degraderen uit en promoveren naar de Jupiler League. De Topklasse wordt als bovenste amateurlaag de brug tussen het amateurvoetbal en het profvoetbal.
Diverse gevolgen
Het nieuwe systeem heeft ingrijpende gevolgen voor de degradanten en promovendi. Zo is een club in de Jupiler League gebonden aan de cao voor contractspelers, die onder andere bepaalt dat het ‘Flexwetartikel’ 7:667 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op de arbeidscontracten van betaald voetbalspelers. Een profclub kan met een speler oneindig opvolgende contracten voor bepaalde tijd aangaan zonder dat dit op enig moment van rechtswege wordt omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Het amateurvoetbal is (vooralsnog) niet gebonden aan deze cao. Het is dus mogelijk dat een club die degradeert naar de Topklasse zich plots geconfronteerd ziet met een aantal spelerscontracten die als voor onbepaalde tijd moeten worden beschouwd. En dat dan net in een fase waarin de inkomsten (met name wedstrijdrecettes, televisiegelden en sponsorinkomsten) van die club toch al sterk afnemen. We nemen aan dat de KNVB deze lacune nog wel zal dichten. Ook voor spelers die met hun club promoveren naar de Jupiler League verandert er iets substantieels. Het is bekend dat er weinig verschil bestaat tussen de hoogte van de vergoedingen voor spelers in de top van het amateurvoetbal en de kelder van het betaald voetbal. Sterker nog, veel spelers spelen vanuit financieel oogpunt liever in de Hoofdklasse van de amateurs dan in de Jupiler League. Zoals iedere werknemer stemt een amateurspeler zijn vaste lasten en uitgaven ook af op zijn inkomsten. Echter, op het moment dat hij profspeler wordt moet hij een substantieel deel van zijn loon en premies verplicht storten in het CFK (Contractspelers Fonds KNVB). De afdracht aan dit fonds bedraagt voor spelers in die groep al snel vijfentwintig procent. Het is maar de vraag of zijn club na de promotie zijn contract verbetert. Geen ramp, zo lijkt het, maar je zult maar net een tophypotheek hebben afgesloten.
Fiscale aspecten
Zo zijn er nog wel meer juridische en verenigingsrechtelijke gevolgen van het nieuwe stelsel te beschrijven, maar we willen nu een belangrijk fiscaal aspect aanstippen: de vennootschapsbelastingplicht van een voetbalvereniging. De clubs in de Topklasse zijn amateurverenigingen. De clubs in de Jupiler League zijn betaald voetbalverenigingen. Bij promotie en degradatie verandert deze status en dat heeft aanzienlijke fiscale gevolgen. Iedere voetbalclub krijgt te maken met een aantal belastingsoorten. Voor de heffing van loonbelasting maakt de amateur- of profstatus – op een paar specifieke uitzonderingen na – niet uit: alle clubs zijn als werkgevers onderworpen aan dezelfde fiscale regels (al hadden schrikbarend veel amateurclubs dit - gezien de hausse aan naheffingsaanslagen eerder dit jaar -nog niet helemaal door). Ook de regels voor de heffing van omzetbelasting zijn gelijk, al bestaan er voor amateursportverenigingen een groot aantal vrijstellingen. De vennootschapsbelasting is een ander verhaal. Deze belasting over de winst is van toepassing op rechtspersonen(waaronder BV’s, NV’s, verenigingen en stichtingen), indien en voorzover zij een onderneming drijven. Een rechtspersoon drijft volgens de wet tevens een onderneming als zij in concurrentie treedt met partijen die wel vennootschapsbelastingplichtig zijn. De belastingdienst hanteert vaak een pragmatische inslag: als er structureel winst wordt behaald zal de inspecteur geneigd zijn te stellen dat sprake is van een onderneming en dus van vennootschapsbelastingplicht. Voor amateursportverenigingen bleken deze regels altijd een enorm doolhof. Sommige van hun activiteiten golden wel als ‘het drijven van een onderneming’, andere activiteiten weer niet. Het goed gescheiden voeren van administraties bleek bijna een dagtaak. Hierom, en vanwege de sociaal-maatschappelijke rol van amateursportverenigingen, zijn zij vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting. De voorwaarden waaraan zij moeten voldoen voor deze vrijstelling zijn betrekkelijk overzichtelijk en eenvoudig. De clubs in het betaald voetbal daarentegen zijn sinds 1994 per definitie belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Op de belastingdienst Utrecht zetelt de eenheid Betaald Voetbal, die alle profclubs onder haar hoede heeft.
Vennootschapsbelasting en promotie
Wat nu als een amateurclub promoveert naar de Jupiler League? De clubs in de top van het amateurvoetbal zijn meestal goed georganiseerd en financieel gezond. Promotie zal leiden tot een behoorlijke kostenstijging, maar waarschijnlijk tot een grotere stijging van de inkomsten. Er zal allicht geïnvesteerd moet worden in met name accommodatie en infrastructuur, maar die investeringen komen over het algemeen niet geheel en/of niet direct ten laste van de clubwinst. De voormalige amateurclub zou zomaar eens winst kunnen gaan maken om dan te ervaren dat 20% tot 25% van die winst aan belasting moet worden afgedragen. Geen ramp, mits de club zich er tijdig bewust van is dat zij in haar begrotingen rekening houdt met de post vennootschapsbelasting. Echter, zonder goede juridische en administratieve scheiding geldt die nieuwe vennootschapsbelastingplicht ook voor de amateurafdeling van de promoverende club. De club wordt dan in zijn geheel als professionele voetbalvereniging aangemerkt met als gevolg dat de winst van de amateurtak (jeugdvoetbal, kantine, fondwervende activiteiten, sponsorinkomsten) óók wordt belast met vennootschapsbelasting. Tijdige actie en zelfs anticipatie op een mogelijke promotie zijn dus gewenst. Een ander punt van aandacht is de zogenaamde vrijwilligersregeling. Amateurverenigingen drijven op de inzet van vrijwilligers. De vereniging mag hen voor die inzet een beperkte vergoeding geven zonder dat hierover belasting verschuldigd is. Het gaat dan om de inhouding van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen door de vereniging en de heffing van inkomstenbelasting bij de vrijwilliger. De maximale onbelaste vergoeding bedraagt 1500 euro per vrijwilliger op jaarbasis. Echter, de vrijwilligersregeling kan niet worden gebruikt door verenigingen die vennootschapsbelastingplichtig zijn. Wederom een aspect met een fiscale achtergrond maar met effecten die de hele vereniging en haar werkwijze raken.
Vennootschapsbelasting en degradatie
De clubs die al jaren onderin de Jupiler League meedraaien zijn over het algemeen financieel noodlijdend. De club die degradeert naar de Topklasse verliest zijn status als betaald voetbalorganisatie. Vervelend, maar die club heeft dan in ieder geval geen vennootschapsbelastingplicht meer. Hoewel, over verliezen hoef je toch geen belasting te betalen? Dat klopt, maar die verliezen hebben wel degelijk waarde. Een verlies is immers fiscaal te verrekenen met de winsten van de negen opvolgende jaren, zodat over die winst geen belasting is verschuldigd. Tenminste… als je vennootschapsbelastingplichtig bent: en die status verliest de degradant nou juist. In sommige gevallen bestaat de betaald voetbalorganisatie uit meerdere entiteiten, die elk een eigen rol in de organisatie hebben: opleiding, stadion, businessclub, etc. Deze entiteiten (vaak besloten vennootschappen) vormen vaak een zogenaamde fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Dat betekent dat ze voor de belastingheffing als één worden beschouwd met als voordeel dat de winst van de ene vennootschap wegvalt in het verlies van een andere groepsvennootschap. Op het moment dat de club degradeert, valt de betaald voetbal-entiteit weg uit die fiscale eenheid. En daarmee vervallen de mogelijkheden om haar resultaten (vaak een verlies) te verrekenen met de winsten van de andere groepsvennootschappen.
Conclusie
We hebben slechts met een paar voorbeelden willen aangeven tegen welke structurele veranderingen een organisatie aanloopt als zij degradeert uit of promoveert naar het betaald voetbal. De clubs voor wie dit mogelijk geldt, kunnen het zich niet veroorloven om af te wachten tot het laatste fluitsignaal van het seizoen. Zij moeten nu al acties nemen en hun draaiboek klaar hebben.
Mr. Patrice van Oostaijen is fiscalist en jurist en stond in 2006 aan de wieg van het advieskantoor Maguire Tax & Legal (www.maguiretl.nl), dat huist aan de Amsterdamse PC Hooftstraat. Daar vóór werkte hij tien jaar voor het gerenommeerde Haagse bureau Wolfsbergen Osnabrug Baars. Van Oostaijen is thuis in de fiscale en juridische begeleiding van ondernemers, maar is gespecialiseerd in de advisering van profsporters, zaakwaarnemers en sportverenigingen. Hij was betrokken bij ruim 150 transfers in het internationale profvoetbal en procedeert bij zowel sportarbitrage als belastingrechters. Patrice van Oostaijen is daarnaast o.a. bestuurslid van Players for Life, een charitatief fonds voor en door Europese profvoetballers. Maguire Tax & Legal verzorgt naast voornoemde diensten ook de administraties, jaarrekeningen en aangiften van ondernemingen en instellingen
Mr. Erik Jan Peffer is sinds 2006 als belastingadviseur werkzaam bij Maguire Tax & Legal te Amsterdam (www.maguiretl.nl). Hij studeerde fiscaal en notarieel recht aan de Universiteit van Amsterdam en studeerde af op de BTW-staffelregeling voor zaakwaarnemers in het betaald voetbal. Erik Jan Peffer is gespecialiseerd in het internationale fiscale (sport)recht en met name op de fiscale aspecten van internationale arbeid. Hij is recreatief voetballer bij VVA-Spartaan.
